Mijn allereerste vogelboekje, nog voor Zien is kennen was Jan P. Strijbos Vogels rondom ons huis, met die zwart-wit figuurtjes met de kleuren er bij geschreven. De tekst was echter tamelijk uitgebreid, en ik leerde veel er van ongeveer uit mijn hoofd. Ik heb dat boekje niet meer dagelijks bij de hand: de ontwikkeling van de vogelgidsen is enorm geweest in de welhaast 50 jaar sinds ik dat boekje kreeg. Maar de titel is in mijn hoofd blijven zitten, en altijd als ik de neiging heb om mensen te vertellen wat er te zien is in de nabijheid van mijn woonplaats, of het nu het huis is waar ik hier al weer 25 jaar woon, of de plaatsen die ik de kans had om voor kortere tijd te bezoeken, altijd denk ik weer aan de titel: Vogels rondom ons huis.
Waar wij wonen
Tromsø, mijn woonplaats, ligt op haast 70°N in N.Noorwegen. Overal elders in de wereld zou men op deze breedtegraad vrijwel uitsluitend sneeuw en ijs vinden, hooguit wat schrale toendra. maar hier in N-Noorwegen zijn er zelfs bossen, al zijn de bomen dan ook wat aan de lage kant.
De oorzaak voor deze anomalie is uiteraard de Golfstroom en zijn voortzetting naar het Noorden, de noordatlantische stroom, die er voor zorgt dat warm water (nou ja: relatief warm water; zwemmen gaat hier tamelijk vlug, want zo warm is dat water ook weer niet, hooguit 13-14°C) uit het Caraibische gebied en de centrale Atlantische Oceaan doordringt tot ver in het noorden, langs de westkust van Svalbard tot ongeveer 80°N. Het klimaat is daardoor ook veel zachter dan elders op deze breedtegraden, in N.Noorwegen, vooral de kustgebieden genieten van zachte zomers en ook niet zo bar koude, hoewel wel lange winters. In Tromsø bijv. wordt het nooit kouder dan ca -17°C, net als in Nederland. En het kan in elke maand van het jaar regenen (ook sneeuwen, trouwens)
De stad Tromsø heeft ongeveer 55 000 inwoners en is daarmee de grootste stad ten noorden van de poolcirkel, afgezien van Murmansk in NW Rusland. Tromsø ligt op het vrij lage eiland Tromsøya, omgeven door hoge heuvels (tot ca 1250m) zowel op het vasteland als ook op het grote eiland Kvaløya, dat tussen Tromsø en de open zee ligt; het is ongeveer 60 km rijden naar de kust. Rond het eiland liggen sonten, Tromsøsundet en Sandnessundet, die tamelijk ondiep zijn (naar Noorse begrippen dan, zos 40-80m diep), en die samen met het eiland zelf de drempel uitmaken van de lange Balsfjord die zon 100 km het binnenland insnijdt. Dat water is allemaal zo zout als de open zee en vriest ook nooit dicht s winters.
Mijn huis ligt aan de ZW kant van het eiland, een paar honderd meter van de kust en zon 50m boven zeeniveau; omdat ik aan een haakse bocht in de weg woon, kijk ik de weg af naar de kust toe en heb ik een mooi uitzicht over de fjord. Zodoende kan ik met de kijker de eidereenden, meeuwen en aalscholvers op het water en op een eilandje in de fjord zien zitten.
Mijn huis ligt in een villabuurt, met flinke tuinen die naar noord-noorse traditie niet door heggen of hekken van elkaar of van de straat afgescheiden zijn, maar gewoon in elkaar overlopen. Dat kan hier, omdat op ons eiland schapen noch rendieren grazen.Aan de achterkant grenst de tuin aan de tuinen van de achterburen in de parallelstraat een stuk hoger op; het helt hier behoorlijk, en het is altijd spannend s winters de auto uit de garage opstraat te rijden, achteruit, over de vaak sterk beijzelde hellende oprit.
Het is verder en heel gewone tuin, wel wat slechter verzorgd dan de meeste andere, met grasvelden, bloemenperken en een aantal flinke bomen. De berken en lijsterbessen zijn vast wild, en de ene Zwarte Els denk ik ook, maar er staan ook flink wat naaldbomen en een snelgroeiende esdoorn midden op het gazon vermindert het uitzicht jaar na jaar. Hier en daar ook wilgenstruiken--ook.wild--en een ondergroei van bosbessen en grote pollen varens.
Winter (October -April)
Nu ik dit schrijf, eind Maart, ligt de hele boel dik onder de sneeuw, dat is de meeste jaren al sinds October zo, en zal tot ver in Mei zo blijven. Er zijn wel grote variaties van jaar tot jaar: deze winter hadden we een lange periode rond de Kerst dat er helemaal geen sneeuw lag (Daar hebben we een hekel aan, want dan wordt alles erg donker: de zon komt immers van eind November tot eind Januari niet boven de horizon uit, en de reflectie van de sneeuw helpt altijd goed om een beetje looplicht te houden). En ook nu hadden we al een week zacht weer, en is er veel sneeuw gesmolten, vooral vlak aan de kust. De vorige winter hadden we juist heel erg veel sneeuw, met een sneeuw-record met 2.43m eind April, en de laatste sporen pas weg uit de tuin op 22 Juni! Maar normaliter ligt er de hele winter door sneeuw op de grond, dus zijn er hier dan weinig landvogels die hun voedsel op de grond vinden.
Ik voer de hele winter, vnl met zonnepitten, zowel in hangende voerautomaten als ook op de sneeuw (een beetje gevaarlijk wel, want de buurtkatten liggen soms op de loer)
De vaste klanten op de voerplaats zijn een paar Eksters (die kunnen gelukkig de voerhangers niet de baas), een troepje Koolmezen, wat Matkoppen (Deze winter minder dan gewoonlijk, vind ik), en de prachtige Goudvinken, een sieraad voor de tuin. De vogelboeken vertellen over de Goudvink als een soort die nog steeds erg schuw is, zich zelden in de buurt van de mensen waagt, en al helemaal niet op de grond komt. Daar klopt hier in Tromsø s winters niks van: mijn Goudvinken (en ik had er deze winter soms wel tien tegelijk) zijn weinig schuw, vliegen soms zelfs niet eens op als ik op 2-3m afstand langs hun naar de garage loop, en ze zoeken hun zonnepitten het liefst in de sneeuw onder de voerbak en vliegen bij verstoring alleen maar even de berkenboom in. Die Goudvinken leven kennelijk het hele jaar als paartjes, en nu in het vroege voorjaar zie ik ze soms elkaar voeren met de zonnepitten die ze net hebben opgepikt. Ik vraag me af of er deze winter niet een invasietje is geweest van Goudvinken van verder oost; de meeste winters heb ik er maar een stuk of 3-4, en nu zijn de meesten al weer weg. We hadden deze winter ook af en toe een Grote Bonte Specht, ook een vogel die hier niet broedt, maar soms in de herfst binnenvalt uit het oosten, en dan hier de hele winter blijft.
Een nieuweling in mijn tuin, en in heel Tromsø trouwens, de laatste jaren is de Groenling. Toen ik in 1973 naar Tromsø verhuisde, gold als noordgrens voor deze soort nog Senja, een paar honderd km naar het zuiden. Maar inmiddels hebben de Groenlingen heel Noord Noorwegen veroverd. Ik denk dat dat vooral komt door de vele sparren-aanplanten die goede broedgelegenheid scheppen. De Groenlingen zijn ook dol op zonnepitten, en dat merkte ik vooral vorige winter toen ik er een paar maanden wel een stuk of 20 had. Zij hebben er een handje van om op de stokjes op de voerbak te blijven zitten, en alle mezen weg te houden. De Goudvinken trekken zich hier niks van aan: the survival of the fattest!
Deze winter had ik maanden lang geen enkele Groenling, maar sinds een paar weken zijn ze er weer, en hoor ik ze ook overal raspen, de enige vogelzang voorlopig afgezien van de Koolmezen (en ons enige paartje Turkse Tortels, dat alweer volop koert in de stad.)
Sinds 14 dagen is mijn tuin ontdekt door een heel troepje Barmsijsjes( een paar keer met een of twee Witstuitbarmsijsjes er tussen). Die zitten het liefst op de sneeuw onder de voerbak, en ik heb de indruk dat zij vooral de restjes van eerdere maaltijden opruimen. Die Barmsijsjes zijn wonderlijk variabel zowel in kleur als in vorm. Dit is de eerste winter dat ik er zo veel heb; vaak komen ze pas in grote aantallen hier in de buurt midden in de zomer, ik neem aan nadat ze elders een eerste broed hebben verzorgd. Zij overwinteren ook in sterk wisselende aantallen, afhankelijk van hoeveel berkenzaad er te vinden is s winters. De laatste paar jaren waren er heel weinig; dit jaar kwamen ze eind Februari plotseling opdagen.
Nog veel verbazender was het ene Fratertje dat twee weken geleden hier een hele dag in de tuin zat. Ook vorige jaren heb ik Fratertjes in de tuin gehad, maar dan in de trektijd, zo half April. Zij gaan daarna naar de kust en de heuvels om te broeden. Het troepje dat hier vorig jaar was, net met die zware sneeuwval, imponeerde mij sterk. De Fratertjes waren ca een dag of tien in de tuin geweest, en waren net 2-3 dagen weg, toen er een heel zware sneeuwval kwam. de volgende dag waren de Fratertjes weer terug in de tuin en groeven zonder aarzeling door de sneeuw naar de ondergesneeuwde zonnepitten; dat waren vast dezelfde vogels die er de week tevoren ook waren geweest.
Drie weken geleden had ik een kort bezoek van maar liefst 6 huismussen; dat was in die 25 jaar nog maar een paar keer eerder gebeurd, ondanks het feit dat het dichtstbijzijnde groepje mussen maar een paar honderd meter hiervandaan nestelt.
Gewone tuinvogels het jaar rond zijn verder de Bonte Kraaien en de Eksters, en de eksters nestelen af en toe in onze tuin, of zoals nu, bij de overburen. Zij vliegen nu, eind Maart, al druk met takjes rond, maar van serieuze nestbouw zie ik voorlopig weinig. Een meer sporadische bezoeker is de Sperwer, die ik elke winter wel een paar keer in de tuin betrap, ongetwijfeld op jacht naar de bezoekers van mijn voerbak. Raven vliegen regelmatig over, en een enkele keer zie ik ook wel een Havik of een Zeearend.
De eerste jaren dat ik hier woonde, kreeg ik s winters ook nog wel af en toe bezoek van troepjes Moerassneeuwhoenders in de achtertuin, maar die hebben het aan deze kant van het eiland niet kunnen bolwerken: te veel honden, katten, en mensen. Op de noordelijke helft van het eiland zijn er nog Sneeuwhoenders genoeg (Er is een jachtverbod op Tromsøya), al wisselen de aantallen zoals overal sterk van jaar tot jaar.
De eerste voorjaarstekenen in de vogelwereld rondom ons huis zijn de terugkeer van de Scholeksters en de Spreeuwen, maar die houden zich i.h.a nogal strikt aan het getijdengebied. Deze week zag ik daar ook de eerste Stormmeeuwen, en die zullen heel binnenkort door vele soortgenoten worden gevolgd. De Stormmeeuw is onze huismeeuw, die overal tussen de huizen en op platte daken broedt (Dat laatste waagt de Scholekster ook) en maanden lang de absoluut dominerende inslag in ons vogelkoor uitmaakt, vele toeristen liggen er wakker van in de lichte middernachtzon-nachten. Ik weet nog steeds niet precies waar precies mijn Stormmeeuwen eigenlijk nestelen. Ze ziten de hele zomer op de lantarenpalen voor het huis en gedragen zich uitgesproken territoriaal. De jongen worden, als ze uitkomen, al gauw door de ouders naar de kust gebracht, en alle voorbijgangers gelden daarbij als aan te vallen vijanden. Maar dat is later, nu heb ik vanuit het huis nog geen Stormmeeuw gezien; wel zitten er af en toe Zilvermeeuwen op het platte dak van de overburen, maar die hebben daar nog nooit genesteld, wel vaak op grotere gebouwen in de stadskern.
Vanochtend, 1 April, een kleumende Kievit op een weiland aan de zeekant, ook weer een bewijs dat de voorjaarsvogels langzamerhand terug komen. Ik zag deze week ook de eerste Bergeenden, maar wel wat te ver weg om nog van Vogels rondom ons huis te kunnen spreken.